|
Liefhebbers
van de boeken van J Anker Larsen weten, dat zijn romans
doortrokken zijn van levenswijsheid en van zijn "eeuwigheidservaring";
een uitdrukking die hijzelf gebruikte om een toestand
uit te drukken die op den duur werkelijkheid voor
hem was geworden. Hij was gaan behoren tot de "plaatsloze
familie van eeuwigheidsondervinders."
Uit
fragmenten van zijn eigen levensverhaal, enige treffende
passages uit zijn romans en citaten uit een van zijn
lezingen mogen wij concluderen dat de auteur J. Anker
Larsen duidelijk gnostiek georiënteerd was.
Terwille van een open deur voor "geestelijk dorstigen",
zoals hij dat noemde, heeft hij in zijn levensbeschrijving
uitsluitend zijn spirituele ontwikkelingen op papier
gezet. Het gebruik van het woordje "ik"
stond hem tegen, getuige zijn opmerking: "Ik
heb nog nooit mensen mooier zien worden als ze het
woordje 'ik' gebruikten."
J. Anker Larsen werd in de jaren tachtig van de vorige
eeuw in Denemarken geboren. Hij groeide op in een
boerengezin. Ofschoon de mensen in zijn geboortestreek
niet bijzonder godsdienstig ingesteld waren, had hij
toch reeds van jongs af aan een gevoel dat er iets
"eeuwigs" was. Hij onderging die gevoelens
als een werkelijkheid die "in" hem was en
die hem tegelijkertijd als het ware omringde. Zo nu
en dan kon hij die werkelijkheid duidelijk ervaren,
ongeveer zoals zonnestralen voelbaar zijn op de huid.
Overigens een vergelijking, die - zo zei hij zelf
- uiteraard mank ging.
Af en toe kon het gebeuren, dat deze "hemelse
zon" zo goed en zo diep in hem scheen, dat hij
helemaal vergat dat er ook nog een wereld bestond
met vriendjes waarmee je kon spelen en kattekwaad
uithalen.
Naarmate J. Anker Larsen ouder werd, verdween dat
hemelse zonlicht bijna onmerkbaar uit zijn bestaan.
De schaduwen werden dichter en alles kreeg een grovere
werkelijkheid. Tenslotte was de eeuwigheid voor hem
als een verstreken dag. Hij merkte er niets meer van.
EEN
DORRE PLAATS VOOR EEN DORSTIGE ZIEL
Diep
van binnen bleef hij e'chter toch een gemis voelen.
En zo werd hij "godsdienstig" en hij ging
voor dominee studeren. Het duurde echter niet lang,
of hij kwam er achter dat de theologische faculteit
een dorre plaats was voor een dorstige ziel. Hij vergeleek
het daar genoten onderwijs met een kop koffie die
wel als koffie werd aangeduid maar niets van koffie
weg had.
Toen hij de theologische studie vaarwel had gezegd,
kwam hij bij de theosofie terecht. Daar kreeg hij
oog voor de "familiedocumenten", zoals hij
ze noemde: oude gnostieke geschriften als de TaoTeh-King,
de Upanisjads> de Bhagavad Gita en werken van Soefidichters
en christelijke mystici en tenslotte ook het Nieuwe
Testament. Maar de werkelijkheid die hij zocht, kon
J. Anker Larsen niet bij de theosofen vinden. Wel
ontwikkelde zich daar een grote antipathie tegen de
metafysica en hij ontdekte het grote gevaar van het
occultisme.
BENAUWD
HIJGEN NAAR LUCHT
In
zijn brochure "Van het werkelijke leven"
beschreef hij het occultisme van de toenmalige theosofen
als een persoonlijke training om een fijn afgestemd
instrument te verkrijgen, waarmee dan "kennis
van de hogere werelden" zou kunnen worden opgedaan.
Maar, zo vroeg hij zich af, wat wint de occultist
daarmee? Hij bestudeert de astrale wereld en breidt
zo zijn uiterlijke kennis uit. Niets meer dan dat.
Hij of zij ervaart zo beslist geen ontwikkeling van
de ziel. Geen geestelijke groei! Menigeen heeft met
dergelijke praktijken zijn psychisch en lichamelijk
evenwicht verloren. Zelf had hij trouwens ook een
metafysische infectie opgelopen, die - zo zei hij
- chronisch dreigde te worden. Voorts kon hij in de
theosofische evolutieleer niets anders zien dan een
"benauwd hijgen naar lucht." In dit verband
is het ook van belang dat hij zich duidelijk met de
twee natuurorden bezighield en aspecten daarvan ook
in zijn romans belichtte. Hij duidde ze aan als "het
opene" en "het geslotene" of ook wel
als de "punt"en de "boog".
TWEE
NATUURORDEN VERKLAARD
In
zijn roman "Heiliging" (1928) illustreert
hij deze begrippen aan de hand van een man met een
pijp die de jeugd in het dorp onderhield met diepzinnige
verhalen. In een van die verhalen legde hij uit, dat
de verkoolde binnenkant van de pijpenkop de zichtbare,
toegesloten wereld voorstelde en de glimmende buitenkant
de goddelijke wereld, het opene. Een en dezelfde pijpenkop
dus en toch... een hemelsbreed verschil tussen de
binnenkant en de buitenkant!
In zijn roman "Roes" (1934) beleeft de hoofdpersoon
een visioen. Daarin ziet hij een immens groot rad
draaien, dat alles en allen onophoudelijk van beneden
naar boven voert en even onvermijdelijk ook van boven
naar beneden. Alleen in de as, in het punt dat in
rust is, bevindt zich de eeuwigheid.
Onwillekeurig doet dit beeld denken aan een uitspraak
van Jacob Boehme, dat God de wereld van de boze salniter
heeft toegesloten, maar dat nochtans de Christus deze
wereld in het hart heeft aangegrepen.
HEIMWEE
NAAR DE "HEMELSE ZON"
Nadat
J. Anker Larsen betrekkelijk ongeschonden uit de metafysische
jungle van de theosofie was gekomen en hij na zijn
teleurstellende ervaringen met lege handen stond,
werd hij vervuld door een mateloos heimwee naar de
"hemelse zon"
van zijn kinderjaren. Door dit heimwee gedreven, wendde
hij zich telkens weer tot de familiedocumenten. Hij
ontdekte niet alleen dat zij alle over hetzelfde spraken,
maar ook dat deze geschriften geen overdenkingen waren.
Het waren uitdrukkingen van ervaringen! Van belevingen!
En daar was het J. Anker Larsen nu juist om te doen.
Hij kon geen genoegen nemen met theorie. Hij moest
de werkelijkheid zelf ondervinden!
Uiteraard ging deze zelfverwerkelijking ook bij J.
Anker Larsen niet vanzelf. Er waren tal van belemmeringen
die voor iedere serieuze zoeker naar de Waarheid gelden.
Toen er weer een zekere openheid voor de "eeuwigheidszon"
was gekomen, was het vonnis van dat licht onverbiddelijk.
Het luidde: Je leidt een totaal verkeerd leven. Tenzij
je weer wordt als de kinderkens, zul je het nieuwe
leven niet beërven.
"Welnu, dat was niet eenvoudig", zegt de
auteur, "want het is gemakkelijker voor een kameel
om door het oog van een naald te gaan, dan voor een
volwassene om weer kind te worden." Hij herinnerde
zich nog goed zijn angst om zich van de heersende
"dagblad beschaving" te moeten ontdoen.
Kennis, begaafdheid, gevoel van eigenwaarde - hij
moest er afstand van doen. Het was nodig om zich weer
op één lijn te stellen met de eerste
de beste boerenknecht. Vervolgens, toen er enig resultaat
was en hij enkele malen flitsen van het nieuwe leven
had ondergaan, ging hij er intens naar verlangen.
Hij trachtte die toestand op te roepen met zijn wil,
maar dat verwijderde hem alleen maar van zijn doel.
Tenslotte gaf hij ook die eigenwilligheid op en hij
besloot om iedere dag die God hem gaf te leven naar
de innerlijke bede: "Heer, wat wilt Gij dat ik
doen zal?"
Dit proces vergde tijd en oplettendheid. Maar, terwijl
hij onderweg was, voelde hij hoe de boeien van tijd
en ruimte losser raakten. Verlangen en gemis ten opzichte
van personen of geliefde plaatsen werden minder. Niet
dat zijn gevoelens bekoelden, maar hij voelde die
gescheidenheid niet meer zo hevig als voorheen.
OUDE
MENSELIJKE GEWOONTEN ZIJN HARDNEKKIG
Op
een gegeven moment had hij de sensatie dat zijn spirituele
proces werd geleid door hogere entiteiten. Langzaam
maar zeker werd het weer "lente" in zijn
bestaan. Hij had nu steeds vaker intense ervaringen
van de eeuwige werkelijkheid. Wanneer een goede vriend
hem gevraagd zou hebben, waarom hij daardoor niet
spoedig een heilige was geworden, zou hij hebben geantwoord,
dat dit hem zelf ook telkens weer verbaasde. Er moest
natuurlijk heel veel vuil worden weggespoeld en oude
menselijke gewoonten zijn nu eenmaal hardnekkig.
De hemelse zon uit zijn kinderjaren was weer krachtig
in hem gaan schijnen en voor hem tot een nieuw bewustzijn
geworden. Dit feit heeft hem sterk bezield: in zijn
boeken en in de lezingen die hij op uitnodiging gaf
omdat hij hoopte geestverwanten te ontmoeten die nog
bevattelijk waren voor hetgeen hem zo krachtig bezielde.
DE
EEUW VAN AFLEIDING EN VERSTROOIING
Zo
heeft hij in de jaren twintig enkele toespraken gehouden
voor de toenmalige School voor Wijsbegeerte in Amersfoort,
waarin hij uitspraken heeft gedaan die nu - vlak voor
het einde van de twintigste eeuw - zeker veelbetekenend
zijn.
"Wij leven in een eeuw van afleiding en verstrooiing.
Elke nieuwe verstrooiing is als een schep vol zand,
die in de diepte van het gedachteleven wordt geworpen.
En de mens verheugt er zich nog in ook, niet vermoedend
dat hij zich verheugt in zijn eigen ondergang.
De komende generaties zullen steeds meer door het
mechanische leven beheerst worden en een nieuwe ontspanning
voor iedere minuut zal dan elke diepere gedachte overbodig
maken. Daarbij zal de jeugd enerzijds vastgekneld
worden in dogmatische boeien, waarin zij haar geest
niet of nauwelijks zal kunnen uitdrukken. Anderzijds
in een dorre verstandelijkheid, die in haar arrogante
geesteshouding deze jeugd dusdanig wil intimideren,
dat zij alle eeuwigheidsdrang voor dwaasheid zal houden.
Gelukkig zal een aantal mensen niet zo heel lang tevreden
zijn met hetgeen deze tijd als voedsel aanbiedt. Honger
en dorst moeten tenslotte wel komen en enkelen dwingen
om naar dieper bevrediging te zoeken. Reeds nu zijn
er hier en daar op aarde mensen, die hebben opgehouden
om pioniers te zijn in een leven, dat toch geen eeuwigheidswaarden
in zich heeft. Zij hebben de noodzaak gevoeld God
opnieuw te gaan zoeken."
"Ik
kan niet anders dan hoopvol uitzien naar de tijd,
dat deze mensen de keurbende der religie zullen vormen.
Mensen die oude dogma's zullen beschouwen als mooie,
antieke dingen die men voorzichtig opzij moet zetten,
opdat zij het nieuwe niet in zijn groei zullen belemmeren.
Indien de mens ooit wil genezen, dan is dit noodzakelijk."
Aldus J. Anker Larsen in een toespraak in 1927.
Mocht u twijfelen of dit spirituele pad al of niet
alleen kan worden afgelegd, dan kunt u het antwoord
vinden in "Koning Lear op klompen", door
J. Anker Larsen geschreven in 1933. Deze roman speelt
in de twintiger jaren. De hoofdpersoon zegt op een
bepaald moment, dat het binnenkort niet meer mogelijk
zal zijn om als eenling het pad van zelfrealisatie
te gaan. De roman "Heiliging" eindigt overigens
met een oproep van de hoofdpersoon tot heiliging te
komen.
Omdat dit artikel hoofdzakelijk gaat over "eeuwigheidservaringen",
laten wij J. Anker Larsen gaarne zelf aan het woord
om te verklaren wat het eeuwige leven wel is en wat
niet. "Het eeuwige leven vervolgt ons voortdurend
als een ziekte, een soort geestelijke tuberculose,
die zich op verschillende manieren negatief uit:
-
in fantasterij die niet genoeg heeft aan de geboden
werkelijkheid en haar daarom vervalst;
- in de voorstelling, dat de eeuwigheid iets is dat
lengte heeft, en in het daaruit ontsproten geloof
dat het eeuwige leven pas na de dood begint;
- in het geloof aan het voortleven van de ouders in
de kinderen die een bezoek aan hen tijdens hun leven
al als een offer beschouwen;
- bij meer spiritistische en mediamiek aangelegde
personen uit ze zich in onrustige tafelpoten en in
hectische godsdienstige deliria;
- en zoals reeds gezegd, uit ze zich in een "benauwd
hijgen naar lucht in de evolutieleer."
HET
EEUWIGE LEVEN IS EEN TOESTAND VAN DE ZIEL
"Tot
de jonge mensen die daarvoor nog openstaan, zou ik
willen zeggen: het eeuwige Leven is niet een land
aan gene zijde van de dood, waar de zon nooit ondergaat
en waar geen einde is aan het getal der jaren. Het
eeuwige Leven - ik kan het niet genoeg herhalen -
is een toestand van de Ziel en niet een voortzetting
zonder meer. Het is 's levens diepste waarheid, die
zich openbaart in en om het wezen van de tot heiliging
gekomen mens.
Pas op voor al die goedbedoelende mensen, zij het
op politiek, sociaal, maatschappelijk, religieus of
wetenschappelijk gebied. Want er is haast niets dat
zoveel kwaad veroorzaakt als het "goede",
het opzettelijk goede, het betweterige, verwaande
goede, dat de mensen zo nodig, koste wat kost, opgedrongen
moet worden. En staar je ook niet blind op die eeuwig
rinkelende liefdadigheid die zich in deze landen in
allerlei vormen aan ons opdringt. Die is niet veel
meer dan een hoofdpijnpoeder voor de verwijfde migraine
der mensheid."
"Laat jezelf niet meer voor de gek houden. Verlies
de moed niet, maar bouw vol vertrouwen in je hart
een altaar voor de onbekende God. De dag zal komen,
dat Hij zelf het heilige vuur zal ontsteken op dit
altaar dat je vol verwachting voor Hem zult hebben
gebouwd. Naarmate meerderen onder ons zich daarop
zullen toeleggen, zal de geur der paradijsbloemen
dieper bespeurd worden in deze armzalige wereld van
tijd en ruimte. Er zal een ónopzettelijke tederheid
in deze mensen geboren worden, die van hen zal uitstromen,
zonder aanzien des persoons. Deze machtige tederheid
is de Eeuwigheidszon die schijnt over rechtvaardigen
en onrechtvaardigen. Dát is het ónopzettelijk
goede, dat het enig wáre goede is." De
humoristische Deen besluit tenslotte:
"Al
zou men mij in ruil voor het verworven nieuwe leven
alles aanbieden wat maar begeerlijk is in deze wereld,
met de belofte dit voor altijd onbeperkt te mogen
genieten, ik zou er hartelijk om lachen en de hele
zaak op de mesthoop gooien."
|