Fragmenten

Fragment geplaatst op zaterdag 11 maart 2006

"Extase"

De scheppende kracht brengt voort, houdt in stand en vernietigt alle levende vorm. Dezelfde blijvend, verandert zij van wezen volgens de vormen die zij bezielt. In de mens, die het leven is dat zichzelf bewust wordt, wordt zij beleefd als liefde, Eros. Eros is eeuwig dezelfde van wezen, maar menigvuldig van gestalte, hij verheft zich van drift tot hartstocht, komt tot zijn volheid als liefde, verbreekt daarop zijn begrenzing en wordt liefde voor het bestaan - of tot God. Het is deze drijfkracht die op zijn tocht door de mensen in zijn hoogste vorm schept de religieuze genieën en door deze en ­ helaas - hun epigonen oorzaak wordt van de grote godsdiensten.

Daar deze Eros in het leven der mensen een lichtgevende schepper is of een somber verwoester, heeft het volk der godsdiensten onder de strijd tussen de naar boven- en de naar beneden voerende drift zich in verbittering gekeerd tegen de menselijke Eros, deze veroordeeld en daardoor de hemelse Eros zijn halve kracht ontroofd.

Ze hebben s levens volheid opgegeven, de naderende werkelijkheid verlaten om zich over te geven aan de roes der fantasie. De mens in extase is een dronken man, dronken van verlangen. De extase is de wellustigheid van de asceet en onvruchtbare hemelshartstocht.


 Uit Roes. Hoofstuk 10 blz. 58



Fragment van januari 2006
"Op de proef stellen"
Uit Martha en Maria. Hoofstuk 10 blz. 289

Dominee Nyeland was door zijn eerste huwelijk een welgesteld man geworden en had er daarom nooit om gegeven om weg te komen uit de streek, waar hij zich wel bevond. Zijn weduwe kon de toekomst zonder economische zorgen tegemoet zien. Toch was zij ontsteld, toen zij een kleine etagewoning van drie kamers zocht in Kopenhagen. Er werden woekerprijzen gevraagd. Maar als zij in de hoofdstad wilde blijven, moest zij toch betalen wat het kostte, en er blijven, dat wilde zij - in ieder geval een tijdje. Het was iets, dat zij moest, zo voelde zij het.
Zodra zij haar woning betrokken had, ging zij naar een bureau van ziekenverpleging en zei, dat zij graag zonder vergoeding zieke of zwakke mensen zou willen bezoeken; om hen een weinig tot nut en afleiding te zijn. Zij kon met hen spreken, hen voorlezen en ook wel een handje helpen met het huishoudelijke werk, als het nodig mocht zijn.
Zij kreeg haar tijd spoedig goed bezet; zij kwam in allerhande woningen en door haar sterk aanvoelingsvermogen won zij een groot vertrouwen bij hoogst verschillend geaarde mensen. Haar innerlijkste motief om deze taak te kiezen was, wat zij tegen Nyeland genoemd had "het terugbrengen van de mensen tot God", -zonder over Hem te spreken. "Hij, die God overal beleeft, ziet in ieder mens het eigendom van God, die hij liefheeft, en de zon der eeuwigheid schijnt vanzelf door hem heen in den mens, die hij ontmoet:' Dat was haar theorie en haar leven bevestigde deze. Zij werd een zegen voor deze mensen; zij werden goed van het samenzijn met haar. Een stralende vriendelijkheid stroomde uit haar wezen in hen over en deed iets goeds ontkiemen.

"Zij zag het en vond het natuurlijk, het was immers niet haar, maar Gods eigen leven, dat tot hen stroomde. Alles wat zij deed was zich passief houden, zodat zij het niet verontreinigde door het zelf te willen leiden en zijn werking te bepalen. Zij bestond ter wille van deze mensen, zij bestond, opdat een kleine stroom van eeuwig leven door haar heen in de wereld geleid zou worden. In haar waren de diepste nederigheid en het hoogste vertrouwen in zichzelf onafscheidelijk samengesmolten.
Toch was er iemand, die zoowel Marie als het eeuwige leven aandurfde. Zij heette mevrouw Bjerre. Vanaf haar eerste kreet was zij het middelpunt der wereld geweest; enig kind van rijke ouders, verwend, toegegeven in alles, dominerend op de speelplaatsen, later getrouwd met een man, die zich liet koeioneren, totdat hij het geluk had te sterven; nu eenzaam, opspelend tegen snel wisselend personeel en jammerend over een trouw aanhoudende ischias.
Hier gaf het niets of Marie met het eeuwige leven aankwam, het kaatste terug als een bal tegen een muur; zij kreeg het recht in haar gezicht terug."
Zij maakte een flinke leerschool door. Niets van hetgeen zij deed, was naar den zin; zij las óf te luid óf te zacht, en het was' "irriterend om haar Funens accent aan te horen", en men zou denken, dat zij nooit eerder een voorwerp in handen had gehad.
Claudine was niets vergeleken bij mevrouw Bjerre. Het was mevrouw Bjerre's liefste sport om te irriteren en te kwetsen; zij lag op de loer naar de gevoeligste plekken in andere mensen en was geniaal in het plaatsen van haar angel, wanneer zij die vond. Zij imponeerde Marie, die spoedig inzag, dat het haar onmogelijk was mevrouw Bjerre het allerminste goed te doen. Integendeel, de verhouding was omgekeerd, want Marie dacht: "Zij is de ideale, harde proefsteen voor degene, die, zoals ik, zich er op laat voorstaan, dat haar oude ik dood en weg is. Ja, als ik een beetje meer egocentrisch was, zou ik geloven, dat zij hier op de wereld was, alleen om mij op de proef te stellen - want het is mij niet mogelijk om te zien tot welke vreugde zij voor zichzelf of anderen zijn kan.

Ik zou graag willen weten, hoe zij er, met, haar eigen ogen gezien, uitziet, maar ik kan niet in innerlijk contact met haar komen:'
Zij kreeg haar toch te zien. Het gebeurde op een dag, toen zij bezig was haar overgoed aan te trekken oin naar een andere patiënt te gaan.
"Gaat nu ,al weg?" snauwde, mevrouw Bjerre.
"Ja, het is immers tijd," zei Matie. ,
"Och - u kunt toch nog best een beetje blijven zei mevrouw Bjerre op een toon, alsof Marie haar loon niet waard was. "De anderen moeten toch ook geholpen worden," zei Marie. Mevrouw Bjerre staarde haar aan, zonder het minste greintje begrip. Zij had gedacht, dat Marie nu vrij wilde zijn en geen zin meer had. Maar dit was dwaasheid. "De anderen," zei zij, "de anderen kunnen toch heus wel wachten."
Toen moest Marie lachen, zoals zij maar eenmaal in, haar leven gelachen had, toen zij als klein meisje op een slee een hoge heuvel afgegleden was en geen flauw vermoeden had, waar zij heen gleed, maar lachte en lachte van ontzetting, 'van plezier en van het gekriebel.
Op de woorden "de anderen" en "heus" was zij regelrecht in mevrouw Bjerre gegleden en zag zij haar van binnen uit. Het was een imponerend paleis om zo te zien. Hier ontmoette zij een soort onschuld, waar zij nooit enig vermoeden van gehad had. Mevrouw Bjerre was in haar goed recht! De hele wereld bestond ter wille van haar. Zelfs Onze-lieve-Heer moest zijn reden van bestaan vinden als oppasser van mevrouw Bjerre!
Zij bleef door lachen. Mevrouw Bjerre was sprakeloos. Wat een brutaliteit! Zij gaapte Marie aan. Zij verwonderde zich over Marie. Het gelukte haar Marie te laten schrikken.
Maar wat haar deed schrikken was, dat mevrouw Bjerre begon te glimlachen. Op het ogenblik, dat Mark ophield met lachen, begon mevrouw Bjerre - en het scheen Marie toe, dat haar lach. als een echo van den hare klonk, omdat zij dus om hetzelfde lachten. Toen Marie den volgenden keer kwam, nam mevrouw Bjerre haar onderzoekend op. Even later begon zij bij wijze van proef aan haar onbillijkheden. Marie was zoo gehoorzaam als een arme vrouw, die het zich niet permitteren kan om ruzie te maken, maar zij glimlachte voortdurend, en zo nu en dan lachte zij brutaal om mevrouw Bjerre's woede.
"Waarom gaat u niet weg?" zei mevrouw Bjerre. "Het amuseert mij om u te helpen," zei Marie, " en bovendien is het toch niet meer dan billijk."
Mevrouw Bjerre was verbaasd. Het leed geen twijfel of mevrouw Nyeland sprak de waarheid. Dat het haar amuseerde om daar het huishouden te doen, was vreemd, maar dat zij in kon zien, dat het billijk was, dat was verbazingwekkend. Zij was bijna op het punt om haar aardig te vinden. Dit was zo'n ongewoon gevoel, dat het een opluchting was, toen Marie wegging.
Toen zij alleen was, verwonderde mevrouw Bjerre zich er over, dat zij niet beledigd was geweest, omdat dat mens haar recht in haar gezicht uitgelachen had. Integendeel zij had eigenlijk lust gehad om mee te lachen, als zij het grappige maar had kunnen inzien. Het had iets met haar zelf te maken, maar het was niet beledigend. Hetgeen onbegrijpelijk was. '
Op zekere dag vroeg zij ronduit: "Waar lacht u toch altijd om?" "Ik lach om de verkwisting van Onzen-lieven-heer," zei Marie. "Hij had er zo veel gemakkelijker en goedkoper af kunnen komen." "Wat wil dat zeggen?" snauwde mevrouw Bjerre.
"Ik kan niet inzien, waarvoor het nodig was om de ' wereld zoo groot te scheppen," zei Marie, "en vooral niet om er al die mensen op te zetten - u hebt toch immers niet meer dan een klein beetje van dat alles nodig." Mevrouw Bjerre stond paf; Marie's toon was geheel oprecht; Natuurlijk was het een grove aardigheid, maar toch - mevrouw Bjerre zou het zelf gezegd kunnen hebben, als zij humor bezeten had



image
image